TEST 10: Deutsch - Niederländisch
Zieh das Wort in die Lücke!
Doe - Duits - auto - begin - bezoek - drinken - gebeld - kwaad - met - naam - trap - vanaf - veel - verzamelen - willen -
1. Haben Sie Lust uns zu besuchen? >
Zoudt U ons een
willen brengen?
2. Kaffee trinken >
koffie
3. das schadet nichts >
dat geeft niets / dat kan geen
4. Ich habe so viel von Ihnen gehört. >
Ik heb zo
over U gehoord.
5. Ich möchte gerne die Kirche sehen. >
Ik zou graag de kerk
zien.
6. seinen Wagen parken >
zijn
parkeren / zijn wagen parkeren
7. Wie heißt das auf deutsch? >
Hoe zeg je dat in het
?
8. Dies ist eine Einbahnstraße. >
Dit is een straat
eenrichtingsverkeer.
9. Anfang Oktober >
oktober
10. von heute an >
vandaag
11. Notieren Sie Ihren Namen und Ihre Adresse. >
Schrijft u hier uw
en adres.
12. Briefmarken sammeln >
postzegels
13. Es klingelt. Es ist jemand an der Tür. >
Er wordt
. Er is iemand aan de deur.
14. Stell das Radio an! >
de radio aan!
15. auf der Treppe >
op de
Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. Siehe
LIZENZ-VEREINBARUNG
KOSTENLOS zum privaten Gebrauch, für öffentliche Schulen und für nicht-kommerzielle Zwecke.