TEST 20: English - Dutch
Drag the word to the blank!
Hebt - aantrekken - dicht - drie - hele - moet - opeens - pakket - plus - tegen - twee - twee - willen - willen - zon -
1. I must go >
ik
gaan
2. I would like to ask you out for an evening. >
Ik zou U graag een avond
uitnodigen om ergens heen te gaan.
3. I'd like stamps for two postcards. >
Ik wil graag postzegels voor
ansichtkaarten.
4. Have you got a telephone directory? >
u een telefoonboek?
5. there are two left >
er zijn er
over
6. three meals a day >
maaltijden per dag
7. Shut the door, please! >
Deur
a.u.b.! / Deur sluiten a.u.b.
8. Will you do me a favour? >
Zou je iets voor mij
doen?
9. to put on one's coat >
de jas
10. How much is 2 + 2? >
Hoeveel is 2 + 2? / Hoeveel is twee
twee?
11. towards evening >
de avond
12. Open this package. >
Opent u dit
.
13. It's raining. It's sunny. >
Het regent. De
schijnt.
14. suddenly >
/ plotseling
15. quite a while >
een
tijd
Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our
LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!