TEST 27: English - Dutch

Drag the word to the blank!
Frambozen - Kunt - Maakt - Morgenochtend - Parijs - Staten - Wat - Zou - begrijp - heel - kampvuur - ouder - rechterarm - stellen - waarschijnlijk -

1. I cannot move my right arm. > Ik kan mijn niet bewegen.
2. I like it very much > dat vind ik leuk
3. I see! > Ik het!
4. I suppose he'll come > hij komt
5. Can you wake me up tomorrow morning? > u mij morgenochtend wekken?
6. May I use your phone? > ik even Uw telefoon mogen lenen?
7. May we light a fire? > Mogen wij een maken?
8. Shall we go to Rome or Paris? > Zullen we naar Rome of naar gaan?
9. the United States > de Verenigde
10. She is older than she looks. > Zij is dan ze eruit ziet.
11. to ask a question > een vraag
12. Tonight. Tomorrow morning. > Vannacht. .
13. How much is this book? > kost dat boek?
14. Oranges. Cherries. Raspberries. Strawberries. > Sinaasappels. Kersen. . Aardbeien.
15. Hurry up! > u voort!

Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!