TEST 33: English - Dutch
Drag the word to the blank!
Bent - Mag - buurt - eigen - heen - hele - morgenochtend - nemen - plotseling - stad - verboden - wakker - wat - weer - weg -
1. A circus has come to town. >
Er is een circus in de
gekomen.
2. Can I park here? >
ik hier parkeren?
3. near / close to >
in de
van
4. all day long >
de
dag lang
5. In what way? >
Op
voor manier? / Op welke manier?
6. to and fro / back and forth >
en weer / over en weer
7. to have a bath >
een bad
8. to have one's own car >
een
auto / wagen hebben
9. to set out for >
op
gaan
10. to wake up >
worden
11. tomorrow morning >
12. How is the weather today? >
Hoe is het
vandaag?
13. Are you hurt? >
u gewond?
14. it is forbidden to stop >
het is
te stoppen
15. suddenly >
opeens /
Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our
LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!