TEST 76: English - Dutch

Drag the word to the blank!
Mag - aardig - eruit - gereed - kamer - kan - keer - lopen - nauw - omkeren - pas - spelen - volwassenen - vraag - zegt -

1. I cannot move my right arm. > Ik mijn rechterarm niet bewegen.
2. I wonder why > ik me af waarom
3. Can I take a bath every day? > ik iedere dag een bad nemen?
4. that's nice of you > dat is van je
5. She is older than she looks. > Zij is ouder dan ze ziet.
6. The key for room ..., please. > De sleutel van ... alstublieft.
7. These trousers are too tight. > Deze broek is te .
8. one says / it is said that > men
9. to get ready > zich maken
10. to play a game > een spel
11. not until tomorrow > morgen / niet voor morgen
12. You must turn back. > U moet .
13. How often? > Hoeveel ?
14. Our party consists of 2 adults and 4 children. > Wij zijn met twee en vier kinderen.
15. Just go straight ahead. > U moet maar gewoon rechtuit .

Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!