Language schools: Get 7% off!
Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern
Poster set
Learn English
Lern Deutsch
TEST 16: français - néerlandais
aantrekken - begrepen - koud - mensen - ogenblik - openen - rechterhand - rondrit - schijfje - vangen - verkeerd - verlopen - verstaat - week - zijn -
1. pêcher / prendre du poisson >
vis
2. la main droite >
de
3. à l’eau froide >
met
water
4. mal comprendre / comprendre de travers >
begrijpen
5. Je n’ai pas compris. >
ik heb het niet
6. Ce passeport a expiré / est arrivé à expiration. >
Dit paspoort is
.
7. mettre son manteau >
de jas
8. bien des gens >
heel veel
9. Il comprend l’allemand. >
hij
Duits
10. en ce moment / à l’heure qu’il est >
op dit moment / op dit
11. une semaine environ >
ongeveer een
12. une visite de la ville >
een
door de stad / een rondleiding door de stad
13. Pourriez-vous m’apporter du citron / un peu de citron ? >
Kunt u mij een
citroen brengen?
14. Ouvrir ici. / Ouverture facile. >
Hier
!
15. avoir peur de >
bang
voor
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: