TEST 44: français - néerlandais
Drag the word to the blank!
beetje - bezoeken - binnen - blijven - goedkoop - graag - loopt - met - muziek - niets - onder - tegen - tegen - tot - zwemmen -
1. Ma montre retarde. >
mijn horloge
achter
2. faire de la musique >
maken
3. acheter bon marché >
inkopen
4. de jour en jour >
van dag
dag / met de dag
5. Je n’en sais rien. >
daar weet ik
van
6. Le soleil se couche. >
de zon gaat
7. Je vais rester un an dans ce pays. >
Ik zal hier in dit land een jaar
.
8. Je voudrais la demi-pension. >
Ik wil
halfpension.
9. Cela vous dérange si je fume ? >
Hebt U er iets
dat ik rook?
10. Il entre dans la pièce. >
hij komt de kamer in / hij komt de kamer
11. aller nager >
gaan
12. un peu de patience >
een
geduld
13. en soirée / dans la soirée >
de avond
14. jouer à la balle / jouer au ballon >
de bal spelen
15. Nous te rendrons visite demain. >
Wij zullen je morgen
.
Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our
LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!