Language schools: Get 7% off!
Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern
Poster set
Learn English
Lern Deutsch
TEST 3: Nederlands - Frans
Continuez - Descends - chaud - droite - facile - jouer - l’autoroute - matin - minute - prie - regarde - ses - sur - thé - verre -
1. U moet maar gewoon rechtuit lopen. >
toujours tout droit.
2. de kamer kijkt uit op de tuin >
la pièce donne
le jardin
3. de volgende morgen >
le lendemain
4. Rechts rijden! >
Roulez à
. / Serrez à droite !
5. Neemt u mij niet kwalijk! >
Je vous
de m’excuser. / Excusez-moi.
6. een glas water >
un
d’eau
7. een makkelijke taak >
un travail
8. het wordt warm >
Il fait
tout à coup.
9. theedrinken >
boire / prendre du
10. hij kan elk moment hier zijn / hij kan elk ogenblik hier zijn >
Il va arriver d’une
à l’autre.
11. zijn schoenen uittrekken >
ôter / enlever
chaussures
12. Ik hou van golf / tennis / skiën. >
J’aime faire du golf, du tennis, du ski. / J’aime
au golf et au tennis et faire du ski.
13. Ik kijk alleen maar. >
Je
, juste.
14. Hoe kom ik op de snelweg? >
Comment rejoint-on
?
15. Kom naar beneden! >
!
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: