Ask for a discount!

Language schools: Get 7% off!
LISA! Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern

TEST 30: Nederlands - Frans
âgées - ça - êtes - chemin - crois - jour - jours - l’école - maintienne - matinée - nouveau - plus - plusieurs - répondre - voudrais -

1. U bent de verkeerde straat in gereden. > Vous vous trompé de route.
2. dat is nieuw voor mij > Tiens, c’est . / Tiens, je ne savais pas.
3. Laten we hopen dat het weer goed blijft. > Espérons que le beau temps se .
4. de oude mensen > les personnes
5. een vraag beantwoorden > à une question
6. met de trein > en train / en de fer
7. het wordt licht / de dag breekt aan > Il commence à faire .
8. hij kent meerdere talen / hij kan meerdere talen spreken > Il parle langues. / Il est polyglotte.
9. ik geloof hem > Je le . / Je crois ce qu’il dit.
10. Ik heb geen benzine meer. > Ma voiture n’a d’essence. / Je suis en panne sèche.
11. Ik wil graag salade met een dressing van olie en citroen. > Je une salade assaisonnée à l’huile et au citron.
12. Hoe gaat het met u? > Comment allez-vous ? / Comment va ?
13. Vorig jaar ben ik er twee weken geweest. > J’y ai passé une quinzaine de l’année dernière / l’an dernier.
14. op school > à
15. 's morgens / 's ochtends > le matin / dans la
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: