Language schools: Get 7% off!
Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern
Poster set
Learn English
Lern Deutsch
TEST 49: Nederlands - Frans
Bonjour - Combien - d’argent - différence - fin - ici - l’université - n’a - n’est - numéro - prochaine - quelqu’un - regarder - tard - tomates -
1. iemand een bezoek brengen >
rendre visite à
2. een groot verschil / een groot onderscheid >
une grosse / grande
3. een nummer draaien >
composer le
4. Bent U hier met vakantie? >
Êtes-vous
en vacances ?
5. het wordt laat >
Il se fait
.
6. hij is nog niet terug >
Il
pas encore rentré.
7. eind mei >
mai
8. uit het raam kijken >
par la fenêtre
9. Ik heb geen benzine meer. >
Ma voiture
plus d’essence. / Je suis en panne sèche.
10. ik heb geen geld bij me >
Je n’ai pas
sur moi.
11. Ik studeer nog. Ik studeer aan de universiteit. >
Je suis encore étudiant. Je vais à
.
12. Ik zou graag een gemengde salade zonder tomaten willen. >
Je voudrais une salade composée sans
.
13. Goedemorgen! / Goedendag! >
!
14. Hoeveel kost een postzegel naar ... ? >
coûte un timbre pour ... ?
15. komend jaar / volgend jaar >
l’année
/ l’an prochain
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: