Ask for a discount!

Language schools: Get 7% off!
LISA! Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern

TEST 61: Nederlands - Frans
direction - fer - haut - jours - l’âge - manger - matin - pareil - pièces - quatre - que - s’appellent - sens - sonne - tous -

1. U loopt de verkeerde kant op. > Vous allez dans la mauvaise .
2. Mag ik iedere dag een bad nemen? > Puis-je prendre un bain les jours ?
3. Wat is de naam van de kinderen? > Comment les enfants ?
4. Laten we hopen dat het weer goed blijft. > Espérons le beau temps se maintienne.
5. de kamers van het huis > les de la maison
6. een paar dagen geleden > il y a quelques / l’autre jour
7. zes min twee is vier > six moins deux font / égale
8. met de trein > en train / en chemin de
9. hij heeft geen gevoel voor humor > Il n’a pas le de l’humour.
10. gistermorgen > hier
11. Ik wil graag iets lichts eten. > Je voudrais quelque chose de léger.
12. zo iemand > un tel homme / un homme / un homme comme ça
13. op de leeftijd van > à de / âgé de
14. op en neer > de en bas
15. Er wordt gebeld. Er is iemand aan de deur. > On . Il y a quelqu’un à la porte.
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: