Ask for a discount!

Language schools: Get 7% off!
LISA! Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern

TEST 88: Nederlands - Frans
être - Mon - distinction - fier - gauche - huit - jours - l’appareil - médecin - monde - passé - passa - petit - rire - s’il -

1. Hallo, met wie spreek ik? > Allô, qui est-ce ? / Qui est à / au bout du fil ?
2. van links naar rechts > de à droite
3. Wat is er gebeurd? > Qu’est-ce qui s’est ?
4. de hele wereld > le entier
5. Je kunt trots op hem zijn! > Tu peux être de lui.
6. De sleutel van kamer ... alstublieft. > La clé de la chambre ... vous plaît.
7. Dertien, veertien, vijftien, zestien, zeventien, achttien. > Treize, quatorze, quinze, seize, dix-sept, dix-.
8. gezond zijn / in goede gezondheid verkeren > en bonne santé
9. hij liep langs mij heen / hij lette niet op mij > Il / est passé devant moi.
10. Mijn examen is morgen. > examen est demain.
11. Ik wil graag iets kleiners. > Je voudrais quelque chose de plus .
12. dokter / doctor > le docteur / le
13. zonder onderscheid > sans
14. voor de lol > pour / pour plaisanter
15. over twee weken > dans quinze
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: