Language schools: Get 7% off!
Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern
Poster set
Learn English
Lern Deutsch
TEST 94: Nederlands - Frans
étudiant - Conduisez - Rouge - aussi - avant - cigarette - d’argent - demain - environ - foncé - grand - loin - n’en - poser - toujours -
1. Waar is er een warenhuis? >
Où y a-t-il un
magasin ?
2. naar voren >
en
/ vers l’avant
3. daar weet ik niets van >
Je
sais rien.
4. dat kost veel geld >
Ca coûte cher. / Ca coûte beaucoup
.
5. Een sigaret? - Nee dank U, ik rook niet. >
Une
? - Non merci, je ne fume pas.
6. een vraag stellen >
une question
7. het is ver weg >
C’est
d’ici.
8. Wij zullen je morgen bezoeken. >
Nous te rendrons visite
.
9. Zijn ogen zijn donkerbruin. >
Ses yeux sont marron
.
10. Ik ben niet altijd zo lui. >
Je ne suis pas
aussi paresseux.
11. Ik kan niet begrijpen, hoe je zo lang kunt slapen. >
Je ne comprends pas comment tu peux dormir
longtemps.
12. Ik studeer nog. Ik studeer aan de universiteit. >
Je suis encore
. Je vais à l’université.
13. ongeveer een week >
une semaine
14. Kunt U wat langzamer rijden, alstublieft? >
/ roulez plus lentement, s’il vous plaît !
15. Zwart. Rood. Blauw. Groen. Wit. >
Noir.
. Bleu. Vert. Blanc.
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: