TEST 98: Nederlands - Frans
Drag the word to the blank!
être - Doucement - Unis - bon - chinois - depuis - hiver - médicaments - neuf - partit - plaît - porte - rue - venue - voix -
1. half tien >
heures et demie
2. Kalmpjes aan! / Rustig aan! >
!
3. aan het einde van de straat >
au bout de la
4. hardop lezen >
lire à haute
5. de Verenigde Staten >
les Etats-
6. de deur is open >
La
est ouverte.
7. het eens zijn / akkoord gaan >
d’accord
8. Hij ging met de boot en zij met de trein. >
Il prit le bateau et elle le train. / Il
en bateau et elle en train.
9. Zij verstaat Chinees. >
Elle comprend le
.
10. Zij was ziek, dus kwam zij niet. >
Elle était malade, c’est pourquoi elle n’est pas
.
11. sinds twee jaar >
2 ans
12. Winters gaan we vaak naar de bergen. >
En
, nous allons souvent à la montagne.
13. Ik heb medicijnen ingenomen. >
J’ai pris des
.
14. op de vroege ochtend / op de vroege morgen >
de bonne heure / de
matin
15. Kunt U wat langzamer rijden, alstublieft? >
Conduisez / roulez plus lentement, s’il vous
!
Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our
LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!