Ask for a discount!

Language schools: Get 7% off!
LISA! Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern

TEST 4: Nederlands - Portugees
Está - chocolate - com - dar - disso - dividir - exemplo - meus - nasci - pedir - quatro - sim - sul - século - vem -

1. U mag het wisselgeld houden. / De rest mag u houden. > O resto é para ti / bem assim.
2. Ja, zeker! > Mas é claro que !
3. naar het zuiden > para o
4. daar weet ik niets van > não sei nada
5. delen door vier / door vier delen > dividir por
6. iemand een plezier doen > uma alegria a alguém
7. een reep chocola / een chocoladereep > uma tablete / (Bras.: ) uma barra de
8. zes gedeeld door twee is drie > seis a por dois dá três
9. het gaat vast regenen > vai chover certeza
10. hij komt waarschijnlijk > provavelmente ele
11. bijvoorbeeld / bijv. / b.v. > por
12. ik ben in 1955 geboren > eu em mil novecentos e cinquenta e cinco
13. om vergeving vragen / zich verontschuldigen > perdão / desculpa
14. Er zijn honderd jaren in een eeuw. > Um tem cem anos.
15. Kunt u mijn schoenen poetsen? > Por favor, engraxe / limpe os sapatos.
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: