TEST 21: Nederlands - Portugees
Drag the word to the blank!
Maio - beber - café - coisa - dar - entrou - estou - exacta - fazer - grande - mostrar - noite - posso - veio - virar -
1. U bent de verkeerde straat in gereden. >
O senhor
na rua errada.
2. Waar kan ik een benzinepomp vinden? >
Onde
achar um posto de gasolina?
3. de juiste tijd >
a hora
4. de weg wijzen >
o caminho
5. Verder nog iets? / Anders nog? >
Mais alguma
? / Que mais?
6. het komt wel goed >
vai resultar / (Bras.: ) vai
certo
7. hij kwam als laatste >
ele
por último / finalmente
8. Wilt u een klein of een groot glas bier? >
Deseja um copo de cerveja
ou pequeno?
9. links afslaan >
à esquerda / (Bras.: ) dobrar a esquerda
10. uit het kopje drinken >
por uma xícara / chavena
11. ik ben een andere mening toegedaan / ik heb een andere mening >
não
de acordo / sou de outra opinião
12. Ik zou graag een kaartje voor vanavond willen hebben. >
Eu queria um bilhete para esta
.
13. in mei >
no mês de
14. koffie zetten >
fazer
15. examen doen >
um exame
Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our
LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!