Language schools: Get 7% off!
Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern
Poster set
Learn English
Lern Deutsch
TEST 51: Nederlands - Portugees
Estive - Hoje - asneiras - família - gosto - logo - mesa - mexer - orgulhoso - ouvir - pessoas - pneu - sua - tem - terá -
1. Aan tafel, alstublieft! / Het eten is klaar! >
Para a
, por favor!
2. Vandaag ga ik naar de markt. >
vou à feira / ao mercado.
3. dat is aardig van je >
é muito amável / simpático da
parte
4. Je kunt trots op hem zijn! >
Devia estar
dele / la.
5. de oude mensen >
as
idosas
6. een lekke band hebben / panne hebben >
ter um
furado
7. hij wil niet luisteren >
ele não quer
8. kinderen hebben / een gezin hebben >
Ter
.
9. ik drink graag wijn / ik hou van wijn >
eu
de tomar vinho
10. Ik kan mijn rechterarm niet bewegen. >
Eu não consigo
o meu braço direito.
11. In drie maanden moet u het land weer verlaten. >
Em três meses
que sair de novo do país.
12. Doe geen domme dingen! / Doe niet zo stom! >
Não faças
/ (Bras.: ) Não faça bobagem / bobeiras!
13. Hoe oud bent u? >
Quantos anos
?
14. Vorig jaar ben ik er twee weken geweest. >
lá quine dias no ano passado.
15. precies tegenover >
mesmo em frente /
à frente
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: