Ask for a discount!

Language schools: Get 7% off!
LISA! Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern

TEST 59: Nederlands - Portugees
acidente - ali - armazém - batatas - calmo - ciquenta - comboio - deveria - limpar - longe - passado - por - trazer - volta - várias -

1. Ga je met de auto of met de trein? > Vais de carro ou de ?
2. daar beneden > lá / em baixo
3. Waar is er een warenhuis? > Onde fica um grande comercial?
4. Hartelijk dank voor een erg fijne dag. > Obrigado este dia tio agradável.
5. Ober, de rekening alstublieft! > Pode a conta, por favor. / (Bras.: ) Garçon, a conta por favor!
6. Veertig, vijftig, zestig, zeventig, tachtig. > Quarenta, , sessenta, setenta, oitenta.
7. tegen de middag > por do meio dia
8. een ernstig ongeluk > um grave
9. afgelopen zondag > domingo
10. hij kent meerdere talen / hij kan meerdere talen spreken > ele sabe línguas
11. zijn kalmte bewaren > manter a calma / permanecer
12. zijn schoenen poetsen > / engraxar os sapatos
13. Ik wil graag gebraden vlees met aardappelen. > Eu queria uma carne assada com .
14. ik zou eigenlijk moeten werken / ik moet eigenlijk werken > eu era trabalhar
15. Is het nog ver? > Ainda falta muito? / Ainda é ?
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: