Ask for a discount!

Language schools: Get 7% off!
LISA! Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern

TEST 28: português - neerlandês
Aardbeien - Wanneer - autorijden - daarvoor - enorm - even - fietsen - groeten - heeft - heel - heen - kwaad - kwartaal - schoenen - vinden -

1. é importante > het is belangrijk voor mij
2. Não pode conduzir. > U mag niet .
3. cada vez / sempre pior > steeds slechter / steeds erger / van tot erger
4. para cá e para lá / (Bras.:) pra cá e pra lá > en weer / over en weer
5. Laranjas. Cerejas. Framboesas. Morangos. > Sinaasappels. Kersen. Frambozen. .
6. agradeço-lhe por isso / (Bras.:) lhe agradeço por isso > bedank ik U
7. limpar / engraxar os sapatos > zijn poetsen
8. ele precisa de dinheiro > hij geld nodig
9. um trimestre > een
10. Onde posso achar um posto de gasolina? > Waar kan ik een benzinepomp ?
11. Posso utilizar-me do seu telefone? > Zou ik Uw telefoon mogen lenen?
12. ir / andar de bicicleta >
13. Quando nasceu? > bent u geboren?
14. muito bem > goed
15. muitos cumprimentos meus a / (Bras.:) muitas saudações de mim para > vele van mij aan
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: