Language schools: Get 7% off!
Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern
Poster set
Learn English
Lern Deutsch
TEST 31: português - neerlandês
Hier - Mag - aansteken - alles - beantwoorden - bezorgd - dieren - gezien - jaren - telkens - waarheid - wat - worden - zeker - zoeken -
1. não vi ninguém >
ik heb niemand
2. Abrir aqui! >
openen!
3. Acender / Fazer fogo. >
het vuur
/ een vuur aanmaken
4. de cada vez que / (Bras.:) toda vez que >
elke keer als /
als
5. responder a uma pergunta >
een vraag
6. dizer a verdade / (Bras.:) falar a verdade >
de
spreken
7. ele vem com certeza >
hij komt
/ hij komt beslist
8. algum dinheiro / (Bras.:) um pouco de dinheiro >
een beetje geld /
geld
9. Um século tem cem anos. >
Er zijn honderd
in een eeuw.
10. animais selvagens >
wilde
11. molhar-se >
nat
12. Posso ver o quarto? >
ik de kamer zien?
13. preocupar-se com >
zich zorgen maken over /
zijn over
14. procurar trabalho / um emprego >
werk
15. isso é tudo >
dat is
/ dat was het
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: