Language schools: Get 7% off!
Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern
Poster set
Learn English
Lern Deutsch
TEST 45: português - neerlandês
Hoeveel - Neem - blond - gaat - geeft - horloge - kop - mooi - ogenblik - plaatsen - toegedaan - van - viool - volgende - zou -
1. o tempo está bom >
het is
weer / het is lekker weer
2. não estou de acordo / sou de outra opinião >
ik ben een andere mening
/ ik heb een andere mening
3. não prejudica / (Bras.:) não vai ser por mal >
dat
niets / dat kan geen kwaad
4. na próxima semana >
komende week /
week
5. pedir um café >
koffie bestellen / een
koffie bestellen
6. Desculpe! / Desculpa! >
Pardon!
me niet kwalijk.
7. reservar três lugares >
drie
reserveren
8. neste momento >
op dit moment / op dit
9. Ela tem cabelo louro / loiro. >
Zij heeft
haar.
10. no primeiro dia do mês >
op de eerste
de maand
11. Tocar violino. >
spelen
12. Pode reparar o meu relógio? >
Kunt U mijn
repareren?
13. Gostaria de convidá-lo a sair uma destas noites. >
Ik
U graag een avond willen uitnodigen om ergens heen te gaan.
14. Houvi dizer que se vai casar. >
Ik heb gehoord, dat je
trouwen.
15. Quanto custa isto? / Quanto é? >
Wat kost dat? / Hoe duur is dat? /
is het?
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: