Ask for a discount!

Language schools: Get 7% off!
LISA! Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern

TEST 66: português - neerlandês
Maakt - Neemt - alstublieft - auto - bus - dierentuin - gauw - jaar - koffie - liever - uit - vies - vrij - wordt - zien -

1. É para cortar-me o cabelo, por favor! > Knippen, !
2. o quarto dá para o jardim > de kamer kijkt op de tuin
3. Vamos ao jardim zológico ou ao museu? > Zullen wij naar de of naar het museum gaan?
4. Faça depressa! > u voort!
5. ter viatura própria / ter carro próprio > een eigen / wagen hebben
6. Sinto muito, mas não temos quartos livres. > Het spijt me, wij hebben geen kamer .
7. convidar para o café > op de vragen
8. ir de autocarro / (Bras.:) andar de ônibus > met de gaan
9. este ano > dit
10. está a aquecer / (Bras.:) está esquentando > het warm
11. Até breve! > Tot !
12. Eu gostaria de ver a igreja. > Ik zou graag de kerk willen .
13. Eu peço perdão. > u mij niet kwalijk!
14. eu prefiro beber vinho a cerveja > ik drink wijn dan bier
15. sujar-se > zich maken / zich vuil maken
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: