Ask for a discount!

Language schools: Get 7% off!
LISA! Kostenlosen
Sprachreisen-
Katalog
anfordern

TEST 94: português - neerlandês
Haal - Waar - Wilt - altijd - blind - buitenland - gebrek - ging - mijn - op - stopt - toen - tot - voelen - worden -

1. o comboio não pára > de trein niet
2. aberto de ... até ... > geopend van ... ...
3. Nem sempre sou tio preguiçoso. > Ik ben niet zo lui.
4. sentir-se bem > zich goed
5. ter um defeito, ter um erro > een hebben
6. Chame o médico! / (Bras.:) Busque o médico! > de dokter!
7. ficar doente > ziek
8. Vim visité-lo ontem, mas tinha saído. > Ik ben gisteren langs gekomen, maar was U niet thuis.
9. Ele apanhou o barco e ela o comboio. > Hij met de boot en zij met de trein.
10. Ele é cego do olho esquerdo. > Hij is aan zijn linkeroog.
11. Onde posso comprar selos? > kan ik postzegels kopen?
12. Você vai na directivo errada. > U loopt de verkeerde kant .
13. Por favor, leve a minha bagagem. > Wilt u bagage aannemen?
14. Por favor, leve a minha bagagem. > u mijn bagage aannemen?
15. Nunca estive no estrangeiro. > Ik ben nooit in het geweest.
Copyright © 1997-2008 by Goethe-Verlag GmbH * Postfach 15 20 08 * D-80051 München, Germany
All rights reserved. Fax +49-89-74790012
Please support this language project by using our link to shop at Amazon: