50 languages

Date:
Test Number:
Score:
Time spent on test:
Beginner:


01/13/2026
1
0
0:00 sec
Yes

Testen 1

Willekeurig
Ga naar testnummer:

0/10

Klik op een woord!
1.ik en jij ir tu  
2.een, twee, drievienas, du,  
3.Het kind houdt van chocolademelk en appelsap. mėgsta kakavą ir obuolių sultis.  
4.De afwas is vuil.Indai ( ) nešvarūs.  
5.Ik wil graag naar de luchthaven.(Aš) noriu (važiuoti) į oro .  
6.Houd je van varkensvlees? mėgsti kiaulieną?  
7.Waar is de bushalte? yra autobusų stotelė?  
8.Waar is het kasteel?Kur yra ?  
9.Neem zonnecrême mee.Pasiimk kremą saulės.  
10.Ik heb een boormachine en een schroevendraaier nodig.Man grąžto ir atsuktuvo.  
trys
Vaikas
yra
uostą
Ar
Kur
pilis
nuo
reikia